In de vierde fase richt de (aankomend) leraar zich op zijn bijdrage aan de ontwikkeling van de school en het beroepsbeeld. Hij stelt vragen als: ‘Hoe kan ik samen met collega’s ons onderwijs verbeteren? Hoe draag ik bij aan de verdere professionalisering van mijn organisatie?’ Leren van en met elkaar. Leergemeenschap: De student is gericht op het uitvoeren van de taak van leraar en het ontwikkelen van een handelingsrepertoire. Ruimte voor perspectieven. Zicht op verschillen in gedrag en ontwikkeling van leerlingen én het vermogen om daarop in te spelen met diverse interventies die passen bij hun leer- en ontwikkelbehoeften. Leren door te onderzoeken. Altijd op weg naar beter, met een onderzoekende, resultaat- en ontwikkelingsgerichte houding. Er is duidelijk zicht op de professionele ruimte om te groeien, gecombineerd met aantoonbare kennis en inzicht in de laatste ontwikkelingen in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Deze kennis wordt door de (aankomend) leraar actief benut bij het vormgeven van een sterke beroepsidentiteit.